Gepost op 2016-06-23

Woonzekerheid uitgehold door invoering tijdelijke sociale huurcontracten

Vlaams minister van Wonen, Liesbeth Homans en met haar de Vlaamse regering wil voor nieuwe sociale huurders contracten van negen jaar invoeren met driejaarlijkse verlengingen. Donderdag  23/06/2016 werd een hoorzitting georganiseerd waarop zowel het Vlaams Huurdersplatform, VIVAS als de VVH (Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen) worden uitgenodigd. Uit een interview met deze organisaties in het huurdersblad en op sociaal.net, blijkt  een unieke eensgezindheid dat deze wijzigingen gewoonweg een slecht idee zijn.

 
De Vlaamse regering hoopt dat sociale huurders met een ‘te hoog’ inkomen – een inkomen dat minstens 25 % hoger is dan de inkomensgrens om toegelaten te worden – zullen opgezegd worden om plaats te ruimen voor wie wel woonbehoeftig is. Hiermee tast ze de woonzekerheid aan. Nu immers hebben huurders bij een sociale huisvestingsmaatschappij recht op een huurovereenkomst van onbepaalde duur. Enkel wanneer de sociale huurder niet langer woonbehoeftig is (hij verwerft bijvoorbeeld een woning of hij en zijn gezin verdient het dubbele van de inkomensgrens) of wanneer hij ernstig of blijvend tekort schiet in zijn huurdersverplichtingen, kan hij opgezegd worden. De maatregel zou enkel van toepassing zijn voor nieuwe huurders, waardoor er pas een effect zou zijn in 2026. Een oplossing voor het tekort aan sociale woningen vandaag, is het dus zeker niet.

 

De sociale huurmarkt als volwaardig woonalternatief

Zowel de sociale huisvestingsmaatschappijen, de huurdersbonden als de sociale huurdersgroepen in Vlaanderen (VIVAS) vinden de woonzekerheid in de sociale huur een hoog goed dat niet te grabbel mag gegooid worden. Sociale huur moet een volwaardig woonalternatief zijn (een kwalitatief goede en aangepaste woning in een aangename, leefbare en ook diverse woonbuurt tegen een betaalbare prijs met woonzekerheid) voor de private huurmarkt.
Deze private huurmarkt is voor een steeds groter wordende groep onaantrekkelijk zowel inzake woonkwaliteit, woonzekerheid als betaalbaarheid. Sociale huur moet er zijn voor wie nu op de private huurmarkt teveel betaalt (zowat 52% van de private huurders) of in een woning van ontoereikende kwaliteit woont (zowat 47 % van de private huurwoningen). En ja, het huidig sociaal huurwoningbestand (zo’n 145.000 sociale huurwoningen) is absoluut ontoereikend voor al die woonbehoeftigen die nu noodgedwongen op de private huurmarkt woonproblemen hebben. Maar dat los je niet op door sociale huurders noodgedwongen en verplicht naar die onaantrekkelijke private huurmarkt te sluizen. Wel door een veel forser investeringspad voor sociale huur uit te bouwen. En precies omdat de noden zo groot zijn, moet je tegelijkertijd ook de private huurmarkt aanpakken en ook daar een sociaal woonbeleid uitbouwen. Dit kan perfect door de overbodige en prijsopdrijvende woonbonus, voor huishoudens waarvan het gemiddeld inkomen zelfs een pak hoger ligt dan de zogenaamde hogere inkomens onder de sociale huurders, af te bouwen en die middelen te investeren in een sociaal en ecologisch verantwoord woonvernieuwingsbeleid. Dat dit mogelijk is heeft de Vlaamse Woonraad in haar advies over de woonbonus voorgerekend.

 

Woonhiërarchie

De sociale huur (nu beperkt tot amper 6,7% van de woningmarkt) mag geen restmarkt op de onderste ladder van de woonhiërarchie worden, enkel bestemd voor de meest woonbehoeftigen of voor de armen. Een sociale huur moet het mogelijk maken dat de huurder zichzelf, z’n gezin en kinderen sociaal-economisch verbeteren, zonder het risico te lopen om zijn sociale woonst en opgebouwde buurtcontacten te verliezen.
De plannen van de regering houden echter in dat mensen, die tijdelijk een beter inkomen hebben (door voltijds werk, door een tijdelijke bonus) dreigen opgezegd te worden, terwijl ze later een lager pensioen hebben en opnieuw ruimschoots onder de inkomensdrempel voor sociale huur vallen. Zo dreigen ze opgezegd te worden om dan opnieuw in het rijtje van de lange wachtlijsten voor een sociale huurwoning terecht te komen.
De uitholling van de woonzekerheid voor nieuwe sociale huurders gaat nog een stap verder. Zelfs gehandicapte of bejaarde huurders of grote gezinnen die het met een beter inkomen moeilijk hebben om een aangepaste woning op de private huurmarkt te vinden, dreigen hun sociale woning te verliezen. Hetzelfde geldt voor huurders met een migratieachtergrond waarvan ondertussen toch geweten is dat ze op de private huurmarkt geconfronteerd worden met discriminatie en verminderde toegangskansen. Geconfronteerd met een verplichte opzegging zullen ze hun woonbehoeftigheid moeten aantonen en afwachten of dit aanvaard zal worden.
De keuze voor meer sociale selectiviteit in de sociale huur -door niet aan de instroom maar aan de uitstroomzijde te werken- is merkwaardig als men bedenkt dat van alle woonbeleidsinstrumenten de sociale huur na de huursubsidie reeds het meest sociaal doelmatig instrument is. Meer dan 50 % behoort tot de 20 % laagste inkomens.
Dat zowel de sociale huurders als sociale verhuurders opkomen tegen deze plannen toont aan dat er binnen het werkveld een ruime consensus bestaat tegen de geplande uitholling van de woonzekerheid.