Na een succesvol Woonprotest op 12 september in Amsterdam volgt op 17 oktober een Woonopstand in Rotterdam. De woonthematiek is in Nederland helemaal terug van nooit weggeweest. Ondanks het vele voorbereidingswerk nam Mustapha Eaisaouiyen, een van de trekkers van de Woonopstand, de tijd om ons uit te leggen hoe de protestbeweging vorm krijgt en waarom dit zo belangrijk is.

 

Eerst het Woonprotest in Amsterdam en binnenkort de Woonopstand in Rotterdam. Wat is er aan de hand in Nederland?

Op een gegeven moment is de emmer vol. Mensen kunnen het niet blijven slikken en komen in opstand. Bij ons persoonlijk was de aanzet een brief die de Verenigde Naties stuurde naar de Nederlandse regering over mensenrechtenschendingen in onze buurt.

De VN riep op om sloopplannen in de tweebosbuurt, waar ik vandaan kom, stop te zetten en serieus met bewoners in gesprek te gaan. Want nu bepalen de stad en de corporatie wat er zal gebeuren met de wijk terwijl de bewoners pas als laatste geïnformeerd worden. Dat druist in tegen het recht op zeggenschap. Het recht op huisvesting is niet alleen een dak boven het hoofd, maar ook wat er met dat dak gaat gebeuren.

We hadden gehoopt dat de brief van de VN serieus genomen zou worden. Maar toch gingen de stad en de woningcorporatie gewoon door. Dat frustreert enorm. Er zouden zogenaamd geen mensenrechten geschonden zijn. Onze burgemeester wuifde het weg en bagatelliseerde het zelfs. Hij zei dat mensenrechtenschendingen niet gebeuren in zijn stad en dat zo’n dingen enkel voorkomen in steden als Karachi, Mumbai of in Zuid-Afrika. Alsof mensenrechten niet geschonden kunnen worden in het Westen. Het is te triest voor woorden dat een burgemeester zulke uitspraken doet.

Je denkt dat ze een organisatie als de VN niet kunnen negeren, maar ze doen het toch. Dat heeft heel veel kwaad bloed gezet.

 

Met Woonopstand trekken jullie het veel breder dan de eigen situatie. Jullie zoeken ook contact met andere slachtoffers die botsen op de wooncrisis.

Klopt. Als je bepaalde zaken wil veranderen dan moet je bij de regering aankloppen en invloed uitoefenen op wat daar gebeurt. En dan heb je een mensenmassa nodig. Naar een paar mensen zullen ze niet luisteren, maar als er een paar duizenden of tienduizend zijn dan is dat anders. De krachten bundelen is essentieel om het protest te laten slagen.

 

De succesvolle bijeenkomst in Amsterdam moet jullie extra hoop geven.

Er werd altijd gezegd dat Nederland geen protestland is. Dat er te weinig wordt gedemonstreerd. Maar inmiddels zijn er wel 15.000 mensen op straat gekomen in Amsterdam. En dit is nog maar het begin. Nu komen Rotterdam, Den Haag en Utrecht er aan. Zo komt er een hele nieuwe beweging op gang. De mensen zijn het spuugzat.

Waar ik heel blij om ben, is dat ook de jongere generatie opstaat. Zij staan nog maar aan het begin van hun zogenaamde ‘wooncarrière’, maar kunnen gewoon nergens starten. Er is geen huurwoning en er is geen koopwoning. Er is niets. Zelfs al heb je een goede opleiding afgerond, dan nog kan je geen betaalbare woning vinden. Samen met andere gemarginaliseerde groepen zoals daklozen en arbeidsmigranten worden jongeren heel hard getroffen. Ook mensen die mindervalide zijn hebben het erg moeilijk.

 

Jullie slagen erin om al die groepen bijeen te brengen en tot een gemeenschappelijk eisenpakket te komen.

We hebben 9 eisen geformuleerd waarmee we het recht op huisvesting in de praktijk willen brengen. Dat recht staat trouwens ingeschreven in de grondwet. Als je die eisen in je beleid laat terugkomen, dan heb je het probleem voor een groot stuk opgelost.

Betaalbaarheid en woonzekerheid zijn voor ons de kern. Je moet weten dat er in Nederland nu heel veel huurcontracten bestaan van tijdelijke aard. Dan ben je steeds onzeker of je in dat huis kan blijven wonen. En tegelijk ben je onzeker of de huurprijs hetzelfde zal blijven, want die kan ook veranderen. Ondertussen ben je bang om onderhoudsklachten te melden bij de verhuurder omdat je vreest dat hij dan het huurcontract niet verlengt.

Als je vertrekt van het recht op huisvesting dan sta je niet toe dat mensen dakloos worden. Dan sta je niet dat mensen gedwongen moeten verhuizen of uit hun huis gezet worden. We eisen ook minder marktwerking. Woningen zijn geen beleggingsobjecten maar een primaire levensbehoefte voor ons allemaal.

 

Wie is verantwoordelijk?

In principe is dat de overheid, maar die heeft het overgelaten aan de markt. Dat is falend beleid. De overheid moet opnieuw de regie voeren. We hebben opnieuw nood aan een echte minister van wonen, zoals we die vroeger hadden, met verregaande bevoegdheden. Marktpartijen denken enkel in termen van rendement en niet in oplossingen voor mensen die in woningnood zitten. De projectontwikkelaars hebben niet tot doel om zoveel mogelijk betaalbare woningen te bouwen voor zoveel mogelijk mensen.

De overheid heeft wel de opdracht om het recht op huisvesting te garanderen. Daarom eisen we meer regulering door de overheid. Nu zijn de Nederlandse woningen gereguleerd tot 752 euro, de zogenaamde liberalisatiegrens. Daarboven is het het wilde westen. Een verhuurder kan vragen wat hij wil. In deze oververhitte markt krijg je zelfs de bizarre praktijk dat huurders tegen elkaar opbieden. Als een huurwoning vrijkomt vraagt de verhuurder: wat is het jouw waard? Want een ander wil meer betalen. Zo ver zijn we nu in Nederland. Het is inmiddels zo dat je al bijna 50% kwijt bent aan huurlasten. Dat betekent dat je gaat bezuinigen op andere noodzakelijke levensbehoeftes. De huurprijzen moeten gereguleerd worden.

 

Is het vooral een stedelijke problematiek?

Nee het is een thematiek die leeft in heel Nederland. De problematiek vergroot zich uit in de grote steden, maar ook in de kleine steden zijn er wachttijden van 20 jaar voor een sociale huurwoning. Er zijn ook dorpskernen waar jongeren opgroeien maar er niet kunnen blijven wonen omdat het onbetaalbaar is geworden. Sommige jongeren willen wegtrekken, anderen willen blijven, maar dat is niet mogelijk want de koopprijzen zijn te hoog. Het is zeker niet enkel een stedelijk probleem.

 

Jullie betoging komt er tijdens een lopende regeringsvorming. Goed getimed.

Ja dat zou je zeggen. Maar het was meer bedoeld in aanloop van de volgende gemeenteraadsverkiezingen. Daar willen we ook graag invloed uitoefenen want het volkshuisvestingsbeleid is gedecentraliseerd naar de lagere overheden. Al komt het inderdaad goed uit dat er nu nog een kabinet gevormd moet worden. Ik neem aan dat ze niet doof zijn voor de protesten die er gaande zijn. Dat zou heel dom zijn.

 

Na Amsterdam is het nu aan jullie beurt op 17 oktober. Wat zijn de verwachtingen?

We hopen op nog meer mensen dan de 15.000 in Amsterdam. Maar we waren al tevreden met een paar duizend man. We hadden nooit verwacht dat het zo snel zou gaan. Tuurlijk wil ik er graag 20 à 25.00 zien. Dan zou ik een traantje laten. Hier strijd je voor. Je werkt hier dag en nacht naar toe. Eerst was het alleen maar voor de eigen buurt, dan alleen maar voor de eigen stad en nu landelijk. Dat had ik nooit durven denken.

 

Hebben jullie tips voor Vlaanderen, waar eveneens sprake is van een wooncrisis?

Mensen zijn moe, hebben vertrouwen verloren, zijn murw geslagen. Maar in opstand komen helpt. Als jij één stap zet, dan zet iemand anders een stap mee, en dan nog één en zo groeit er een beweging. En geef de moed niet op. Mensen zullen wel zeggen dat het niet zal helpen of niet zal lukken, maar als je thuis op je handen gaat zitten, dan gaat er zeker niks veranderen. Dus kom in opstand. Doe wat je kan. Niet iedereen hoeft hoogbegaafd te zijn of brieven te kunnen schrijven. Je moet soms alleen maar je gezicht laten zien en schreeuwen.

Succes!

De wachtlijsten voor een sociale woning zijn enorm lang. Beslissen wie een aanbod krijgt is niet evident. De Vlaamse regering besliste nu over een nieuw toewijzingssysteem. Dat zou transparanter, objectiever en eenvoudiger moeten zijn dan vandaag. Wie zich verdiept in de nieuwe plannen, zal al snel besluiten dat deze voornemens absoluut niet in de praktijk gebracht worden. Daarenboven zullen de meest kwetsbare huurdersprofielen nog moeilijker kunnen instromen.

 

Wachtlijst

We hebben in Vlaanderen onvoldoende sociale woningen. Zowat 170.000 gezinnen en alleenstaanden staan op de wachtlijst voor een sociale woning. Nog eens 80.000 huishoudens zijn niet ingeschreven maar hebben er wel recht op. Met zo’n immense nood is het moeilijk kiezen aan wie een vrije sociale woning wordt toegewezen. Schaarste moeten verdelen is altijd lastig. Laat er dus geen twijfel over bestaan dat we in eerste instantie volop moeten inzetten op meer sociale woningen. We blijven ons afvragen waar een ambitieuzer groeipad voor sociale woningen blijft.

 

De doelgroep

Om op een rechtvaardige manier te beslissen wie een aanbod voor een sociale woning krijgt, moeten we eerst de doelgroep afbakenen. Enkel mensen met lagere inkomens die geen eigendom hebben komen in aanmerking. Dat is vandaag al zo en blijft ook zo. Die mensen kunnen zich inschrijven bij een sociale verhuurder. Wanneer een woning vrijkomt, dan moet die sociale verhuurder regels volgen om te beslissen wie uitgenodigd wordt om de woning te huren. Op dit moment wijzen sociale huisvestingsmaatschappijen vooral toe volgens chronologie, met een aantal specifiek omlijnde voorrangen. Sociale verhuurkantoren verhuren dan weer op basis van woonnood aan mensen met de laagste inkomens.

De manier waarop toewijzingen gebeuren, wordt als ondoorzichtig en complex ervaren. Met de fusie van de sociale huisvestingsmaatschappijen en sociale verhuurkantoren tot één woonmaatschappij in het vooruitzicht, maakte de Vlaamse regering onder aansturing van minister van Wonen Matthias Diependaele nu werk van een nieuw en uniform toewijzingssysteem.

 

Lokale binding

Dat nieuwe toewijzingssysteem bestaat uit drie pijlers. In een eerste pijler wordt lokale binding het belangrijkste criterium. Een stuk belangrijker zelfs dan chronologie. Wie tijdens de laatste 10 jaar minstens vijf jaar onafgebroken op het grondgebied verbleef, springt over de andere wachtenden.

De uitgesproken focus op lokale binding wordt zo een echt uitsluitingsmechanisme. Wie in een andere regio wil gaan wonen en nood heeft aan een sociale woning, wordt dat in de praktijk belet. Wie in een andere streek wil gaan wonen omwille van bijvoorbeeld huiselijk geweld, omdat de kinderen in die regio zijn gaan wonen, omdat je nog niet zo lang in het land bent of omdat je daar werk hebt gevonden, maakt in de praktijk quasi geen kans meer op een sociale woning.

Er wordt door deze regering steevast gesteld dat sociale huisvesting moet dienen voor wie het echt nodig heeft. Wel, met deze lokale binding gaat ze in tegen haar eigen doelstelling. We weten namelijk dat de verhuisfrequentie bij mensen in armoede veel hoger is dan gemiddeld en dat zij dus bijzonder moeilijk aan die strenge voorwaarde kunnen voldoen. Ook voor erkende vluchtelingen vormt dit een onoverkomelijke drempel, want uiteraard kunnen zij geen vijf jaar onafgebroken lokale binding aantonen.

Lokale besturen krijgen wel de vrijheid om de voorwaarden van lokale binding nog meer te verstrengen, maar mogen die niet verzachten of achterwege laten. Blijkbaar kan er nooit teveel lokale binding gevraagd worden, terwijl we in de praktijk toch al veel te verregaande en discriminatoire omschrijvingen hebben gezien zoals ‘geboren zijn in de gemeente’ om een sociale huurwoning te bekomen.

Lokale binding belet woonmobiliteit, maar ook de keuzevrijheid van sociale kandidaat-huurders. Waar 93% van de Vlamingen kan kiezen waar hij woont, moeten deze kandidaat sociale huurders een langdurige lokale binding aantonen, waardoor hun vrije keuze vervalt. Daarenboven heeft het Grondwettelijk Hof eerder al geoordeeld dat een voorwaarde van lokale binding de vrijheid van vestiging niet mag beperken zonder dat redenen van woonnood aan de basis liggen.

Minstens 50% van de toewijzingen zou via deze eerste pijler verlopen. Dit wordt dan ook de standaardtoewijzing genoemd.

 

Woonnood

20% van de toewijzingen zouden verlopen via een tweede pijler. Deze worden omschreven als ‘versnelde toewijzingen’. Mensen met een extra of acute kwetsbaarheid op de woonmarkt kunnen via deze weg instromen. Er worden een limitatief aantal doelgroepen bepaald die hiervoor in aanmerking komen (mensen met een geestelijk gezondheidsprobleem die zelfstandig gaan wonen, mensen in slechte huisvesting, mensen in dreigende- dak- of thuisloosheid, jongeren die begeleid zelfstandig zullen wonen en mensen in bijzondere omstandigheden van sociale aard). Een lokale toewijzingsraad moet een afwegingskader maken en zal dus moeten beslissen wie van deze groepen het meest dringend een woning nodig heeft. Voor deze 20% toewijzingen wordt geen lokale binding opgelegd.

Die 20% is echter veel en veel te weinig. Vandaag zien we al dat er onvoldoende toewijzingen gebeuren aan mensen met een extra kwetsbaarheid op de woonmarkt, bijvoorbeeld omdat ze dak- of thuisloos zijn of dreigen te worden. Met dit nieuwe systeem neemt het aantal toewijzingen voor hen helemaal niet toe, maar daalt het net sterk. Wanneer we vergelijken met de huidige systemen, dan houden we straks maar ongeveer 2/3e van het aantal toewijzingen voor deze kwetsbare huurders over. In sommige regio’s waar ze nu al veel toewijzen aan kwetsbare profielen, daalt dat zelfs tot onder de helft.

Dat is een grote achteruitgang en is werkelijk problematisch omdat op die manier ook mensen uit noodwoningen en andere opvangsystemen niet meer voldoende kunnen doorstromen. Het ziet er naar uit dat ook die welzijnsvoorzieningen verder zullen dichtstroppen bij gebrek aan volwaardige woonoplossingen.

We kunnen er ook niet omheen dat de uitwerking van deze toegangspoort bij elke woonmaatschappij en zelfs tot op gemeenteniveau kan en meestal zal verschillen, wat het voor kandidaten-huurders tot een kluwen maakt. Het feit dat de keuze in handen ligt van een lokale toewijsraad, helpt eveneens niet inzake het garanderen van objectiviteit en transparantie. Vanuit het oogpunt van de kandidaat-huurder is dit een black box want hij kan niet inschatten waarom hij wel of niet wordt geselecteerd. Doordat de toewijzingsraad maar op bepaalde momenten samenkomt, bestaat daarenboven de vrees dat er niet snel genoeg ingespeeld kan worden op acute woonnoden.

Ook kan aan deze huurders een verplichte woonbegeleiding opgelegd worden. Nochtans heeft helemaal niet iedereen die in urgente woonnood verkeert nood aan woonbegeleiding. Er mag uiteraard wel verwacht worden van de huurder dat hij de huur betaalt, de leefbaarheid verzekert en de woning goed onderhoudt. En uiteraard moet er voldoende capaciteit aan woonbegeleiding gecreëerd worden zodat iedereen die dat wil hier beroep op kan doen. Maar daar zou geen verplichting bij het sluiten van het contract aan gekoppeld mogen worden.

Verplichte begeleiding gaat trouwens sterk in tegen de kennis die we hebben opgedaan over housing-led benaderingen. Die visie stelt dat alles begint bij een onvoorwaardelijke woning. Er wordt in dit systeem wel voortdurend begeleiding aangeboden, maar zonder verplichtingen. De successen van deze benadering zijn onderzocht en worden door iedereen bejubeld, maar toch grijpt deze regering terug naar het idee dat het recht op wonen voorwaardelijk is.

Door zo sterk te focussen op de begeleiding van sociale huurders, zouden ook gegevens over gedragskenmerken van de huurder uitgewisseld moeten worden. Dit raakt bijzonder fors aan de privacy van de betrokken kandidaat-huurders. Daarenboven menen we dat welzijnsactoren beter dan de sociale verhuurder kunnen inschatten en beslissen of er nood is aan begeleiding.

 

Specifieke doelgroepen

Het lokaal bestuur kan zelf beslissen of ze een derde pijler wil uitwerken. Deze kan maximaal 30% van de toewijzingen bedragen. Binnen deze pijler moeten specifieke doelgroepen bepaald worden die een voorbehouden plaats krijgen. De Vlaamse Regering omschrijft een aantal mogelijke doelgroepen zoals senioren of personen met aan handicap, maar een lokaal bestuur kan er ook zelf toevoegen. Eigenaardig genoeg kunnen sommige doelgroepen, zoals mensen in dak- of thuisloosheid zowel via pijler twee als via pijler drie gekozen worden. Het is afwachten of lokale besturen zullen opteren om hier effectief ook doelgroepen te selecteren met een specifieke woonproblematiek. Problematisch is in elk geval dat ook op deze pijler verplicht lokale binding zal gelden.

Dit is een zeer verregaande vorm van decentralisatie zonder dat wordt aangetoond waarom dit nodig is. Het is onduidelijk waarom kwetsbare doelgroepen niet allen, zonder lokale binding, meegenomen kunnen worden in de tweede pijler.

 

Mutaties

We mogen niet vergeten dat we de komende jaren ook mogen verwachten dat heel veel sociale huurders zullen moeten verhuizen naar een andere sociale woning wegens een renovatie op de plek waar ze nu wonen. Dat betekent dat we de eerstkomende jaren mogen verwachten dat daardoor het aantal toewijzingen voor nieuwe sociale huurders al bij al eerder beperkt zal blijven.

 

Conclusie

De doelstellingen inzake een verhoogde objectiviteit, eenvoud en transparantie worden helemaal niet gehaald. Het systeem is zo complex dat een kat er haar jongen niet meer in terugvindt.

Daarnaast stellen we vast dat door het buitengewoon grote belang van lokale binding bijzonder hoge drempels opgeworpen worden die zelfs kwetsbare groepen mensen uitsluiten van de sociale huur. We kunnen er ook niet om heen dat het systeem totaal uit evenwicht wordt gebracht door het te beperkte aantal toewijzingen voor mensen met een extra of acute woonnood. Dat zal dak- en thuisloosheid net meer in de hand werken dan oplossen en raakt aan het recht op wonen van de meest kwetsbare personen.

Er bestaan verschillende kortingen op de onroerende voorheffing. Die kortingen hangen samen met kenmerken van de bewoners en komen dus ook die bewoners toe. Wanneer het een huurwoning betreft, gaat het dus om een korting voor de huurders. Maar wanneer huurders een korting aanvragen, wordt die eigenaardig genoeg verrekend via het aanslagbiljet van de eigenaar.

 

Vermindering onroerende voorheffing

Sommige huurders hebben recht op een mindering onroerende voorheffing. Wanneer er minstens twee kinderen zijn waarvoor u kinderbijslag ontvangt, wanneer u een handicap hebt die werd vastgesteld voor u 65 werd of indien u grootoorlogsverminkte bent, dan kunt u deze vermindering bekomen. Het kan al snel over enkele honderden euro’s per jaar gaan.

 

Aanvraag nodig

Voor eigenaars gebeuren deze verminderingen automatisch. Huurders moeten dit echter aanvragen. Nadat een huurder dit één maal heeft gedaan, dan wordt de volgende jaren de vermindering wel automatisch toegekend. Huurders kunnen de vermindering tot vijf jaar terug aanvragen en ontvangen.
Veel huurders weten echter niet dat ze er recht op hebben en vragen dit dus niet aan, waardoor ze dit voordeel mislopen. Het moet nochtans perfect mogelijk zijn om dit ook voor huurders automatisch te laten toekennen. We blijven hiervoor ijveren, maar raden huurders tot die tijd sterk aan om zelf de aanvraag te doen.

 

Doorstorten of afhouden huur

Wanneer de vermindering aan de huurder wordt toegekend, dan wordt het bedrag telkens in rekening gebracht via het aanslagbiljet van zijn verhuurder. De vermindering voor de huurder komt zo dus steeds eerst terecht bij de verhuurder, die dan verondersteld wordt om dit door te storten aan de huurder. Alleen gebeurt dit vaak niet.

Normaal krijgen huurders jaarlijks bericht over welk bedrag het gaat, zodat ze dit kunnen terugvragen aan hun verhuurder. Wanneer verhuurders hier niet toe bereid zijn, kan de huurder desnoods het bedrag afhouden van de huur en dit melden aan de verhuurder.

Maar wanneer de huurder de woning al verlaten heeft, en toch nog de vermindering moet terugkrijgen van de verhuurder, dan is dat een stuk moeilijker. Aangezien er geen huur meer wordt betaald, kan dit bedrag ook niet afgehouden worden. Zeker in conflictsituaties in het dan erg lastig om de vermindering nog te bekomen. Tenzij er natuurlijk naar de vrederechter gestapt wordt, wat natuurlijk niet de bedoeling kan zijn.

 

Aanpassing

Sommige huurders zien hun centen dus nooit, omdat ze niet weten dat ze er recht op hebben, omdat ze het niet aanvragen of omdat het bij de verhuurder blijft plakken. Daarom vragen we dat er dringend werk gemaakt worden van een automatische toekenning aan de huurder zodat deze vermindering rechtstreeks bij de huurder terechtkomt.

Toen we u vorig jaar een fijn 2020 wensten, konden we helemaal nog niet inschatten wat er ons stond te gebeuren. Corona eiste een hoge tol en gooide roet in het eten van vele plannen.

Dat betekent echter niet dat we onze wensen voor een gelukkig 2021 nu achterwege laten. Ook al zal het virus volgend jaar niet plotsklaps weg zijn, stilaan komt er wel licht aan het einde van de tunnel.

De Vlaamse huurdersbonden, het Vlaams Huurdersplatform en VIVAS wensen u een warm en prettig eindejaar en hopen samen met u dat 2021 het ‘jaar van de oplossing’ mag zijn.

Iedereen heeft recht op een veilige en gezonde woning met een minimum aan comfort. Daarom moet elke woning in Vlaanderen aan een aantal woningkwaliteitsnormen voldoen. Die woningkwaliteitsnormen liggen vast in de Vlaamse Wooncode. Het zijn basisnormen en ze hebben betrekking op essentiële zaken zoals:

• stabiliteit;
• brandveiligheid;
• veiligheid van technische installaties;
• voldoende verluchting en verlichting.

Het is dus vanzelfsprekend dat elke woning eraan voldoet. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt echter dat heel wat woningen in Vlaanderen nog niet aan de woningkwaliteitsnormen beantwoorden. In 2013 was naar schatting 37% van de Vlaamse woningen niet in orde. Veel woningen vertoonden kleine problemen, maar 13% van de woningen had ernstige, structurele gebreken. De afgelopen jaren groeit het aantal woningen die in goede staat zijn, een redelijk comfortniveau halen en over dakisolatie, isolerend glas en rookmelders beschikken. Met de sensibiliseringscampagne ‘Wonen doe je niet op goed geluk’ is het de bedoeling die positieve trend verder te stimuleren. Iedereen moet weten dat er minimale woningkwaliteitsnormen gelden en dat het belangrijk is om ze te volgen.

Voor meer informatie kan u surfen naar www.wonenvlaanderen.be/woningkwaliteit.

Welzijnszorg organiseert een grote campagne over het recht op wonen onder de naam ‘Onbetaalbaar? Onaanvaardbaar!’ Lees hier waarom Welzijnszorg het belangrijk vindt om hier campagne rond te voeren. Teken ook hier de petitie.

 

Onbetaalbare momenten

Je thuis voelen. Thuiskomen. In een goede, veilige woning huizen: dat is onbetaalbaar. Maar voor veel mensen in armoede is goed wonen letterlijk onbetaalbaar.

Iedereen heeft recht op een kwaliteitsvolle, betaalbare woning. In België staat het recht op wonen in de Grondwet (artikel 23, 3°) én in de Vlaamse Wooncode (artikel 3). Je ergens thuis voelen is een basisbehoefte. Zonder veilige thuishaven is het moeilijk om werk te vinden, sociale contacten uit te bouwen of je te integreren. Zelfs je gezondheid staat of valt met je huisvesting.

 

Woonzorgen

In Vlaanderen staan 153.910 mensen op de wachtlijst voor een sociale woning. In Brussel nog eens 48.804. Deze mensen hebben een laag inkomen en voldoen aan alle voorwaarden. Toch moeten ze een woning zoeken op de private huurmarkt: er zijn namelijk té weinig sociale woningen.

De private huurmarkt discrimineert mensen in armoede. Op basis van afkomst, maar ook op basis van inkomen en statuut (denk maar aan mensen met een uitkering van het OCMW).

Meer dan de helft van de private huurders geeft meer dan één derde van zijn inkomen aan huur. Te hoge huur en te laag inkomen betekent dat er te weinig overblijft voor andere basisbehoeften.

Ook de slechte kwaliteit van de woning baart zorgen. Dit heeft een impact op de fysieke en psychische gezondheid van wie er woont. De kwaliteit van de ‘goedkoopste’ woningen is er niet veel op vooruit gegaan. 13% van de woningen vertoont nog steeds zeer ernstige gebreken.

Te klein wonen is een andere zorg. Overbezetting heeft een zware impact op de gezinsdynamiek. Volwassenen en kinderen hebben geen privacy, of ruimte voor schoolwerk. Ongeveer 1 op 5 mensen in armoede woont in een te kleine woning. Dat is onaanvaardbaar.

 

Wooncrisis

Zitten we dan in een wooncrisis? Ja en neen. Het woord ‘crisis’ doet denken aan een tijdelijke, schrijnende situatie. In werkelijkheid wordt er al jaren geen vooruitgang gemaakt in het woonbeleid. Dit is geen nieuwe crisis. Er gaapt een enorme kloof tussen het papieren grondrecht wonen, en de effectieve situatie op het terrein. Te veel mensen wonen in slechte woningen waar ze te veel voor betalen. Het huidige woonbeleid biedt geen oplossingen.

 

Recht op wonen

De oplossingen zijn nochtans niet vergezocht. Slechts 6% van de woningen in Vlaanderen is momenteel sociale woning. Onze buurlanden hebben een veelvoud van dat aantal aan sociale woningen. Er is dus zeker ruimte voor meer sociale woningen. Een uitbreiding van een kwalitatief aanbod zal de krapte op de private huurmarkt verlichten. En minder mensen zullen genoodzaakt zijn om daar te dure en te slechte woningen te huren.

Een groter aanbod sociale woningen uitbouwen kost tijd. Maar ondertussen moet het beleid het recht op wonen wel garanderen. Zeker groepen die (nog) niet in aanmerkingen komen voor een sociale woning moeten voldoende ondersteuning krijgen. Dit kan via financiële ondersteuning, maar ook door alternatieve woonvormen op de private markt uit te bouwen.

 

Wat verwachten we van het beleid?

Uit de analyse van de huidige situatie op de woonmarkt blijkt duidelijk een ongelijke verhouding tussen inkomensgroepen. Mensen met een lager inkomen hebben vaker kwaliteits- en betaalbaarheidsproblemen. Dit zijn geen natuurwetten. We vragen dan ook om actie te ondernemen om het recht op wonen te garanderen, zeker voor mensen in armoedesituaties.

 

Aanbevelingen
  1. Meer sociale woningen

10.000 nieuwe sociale woningen per jaar in Vlaanderen, 1000 per jaar in Brussel. Dat is het minimale doel. Samen met de renovatie van bestaande sociale woningen en investeringen in het systeem van sociaal via een sociaal verhuurkantoor maken deze nieuwe woningen het verschil.

  1. Verbeter de kwaliteit van de woningen

Wonen in een niet-kwaliteitsvolle woning houdt gezondheidsrisico’s in en heeft een negatieve invloed op je levenskwaliteit. We vraag daarom om te investeren in collectieve buurt- of wijkrenovaties, om rollende renovatiefondsen om te zetten, om hogere renovatiespremies gericht in te zetten en de wooninspectiediensten te versterken.

  1. Privaat huren betaalbaar maken

Ongeveer 30% van de private huurders houdt na het betalen van de huur niet genoeg inkomen over om een menswaardig leven te kunnen leiden. We vragen daarom de uitbreiding van de huurtoelagen en het opzetten van een systeem van huurprijscontrole.

  1. Stimuleer alternatieve woonvormen

Welzijnszorg vzw vraagt meer ondersteuning vanuit de overheid om van alternatieve woonvormen echte oplossingen voor mensen met een laag inkomen te maken. Daarvoor is er nood aan meer erkenning, omkadering en financiële steun. Bijkomend vragen we de overheden om samen naar oplossingen te zoeken voor de problematiek rond het statuut ‘samenwonende’.

  1. Participatie aan het beleid

Welzijnszorg vzw hecht grote waarde aan participatie van mensen in armoede en het middenveld aan het beleid Door werkelijke samenwerking met betrokkenen kan het beleid beter inspelen op noden en problemen op het terrein. We vragen daarom de creatie van een volwaardig strategisch overlegorgaan op het beleidsdomein wonen.

 

Om armoede te bestrijden zijn er op alle beleidsdomeinen acties nodig. Een sociaal rechtvaardig woonbeleid is een essentieel onderdeel van de strijd tegen armoede.

 

Lees meer over de aanbevelingen in het campagnedossier van Welzijnszorg.

 

In het boek ‘Oud, arm en huurder’ vind je geen tabellen, grafieken en koude cijfers, maar wel menselijke, vaak aandoenlijke verhalen. Over burenhulp en eenzaamheid, over trappen en liften, over wonen en zorg. We strikten Emma Volckaert, die samen met Pascal De Decker haar onderzoek in een toegankelijk boek goot, voor een interview.

 

Jullie boek focust op armere huurders op leeftijd. Waarom die invalshoek?

Volckaert: We doen al langer onderzoek naar de woonsituatie van ouderen. We bereikten eerder vooral hogere inkomens en eigenaars, maar spraken amper huurders. Niet omdat we ze niet zochten, maar tijdens onderzoeken op het platteland en in de kuststreek troffen we vooral eigenaars aan. De groep die tot nu toe buiten beeld bleef, waren mensen die in de stad wonen en huurders met een beperkt budget. We vonden het, net als onze opdrachtgever de Vlaamse overheid, belangrijk om er de aandacht op te vestigen omdat het aannemelijk is dat de woonsituatie en de woonverwachtingen niet dezelfde zijn.

 

Het boek geeft heel wat inzicht in de link tussen wonen en zorg. U heeft heel wat mensen geïnterviewd en het boek staat vol citaten. Wat viel u in die verhalen het meest op?

Volckaert: Het Vlaams beleid zet in op ‘aging in place’. Mensen moeten zolang mogelijk in de eigen woning blijven wonen. De zorg wordt thuis georganiseerd. Daarbij wordt eerst gekeken naar informele zorg van familie en vrienden. Wanneer dat onvoldoende is, wordt professionele zorg ingezet. Residentiële zorg, vooral woonzorgcentra en assistentiewoningen, zitten op het einde van die keten.

Het principe van de zorgcirkels klinkt mooi. We vragen ons af of het niet ‘te’ mooi klinkt, te evident, te logisch. Wij stellen bijgevolg de vraag of dat model in de praktijk wel stand houdt, een vraag die volgt uit onze vorige onderzoeken. Een voorname vaststelling is dat informele zorg vaak geen evidentie is. Zowat de helft van de respondenten vertelde dat er geen contact meer is met kinderen of dat er sprake is van familiebreuken. Soms is er wat steun van buren, maar lang niet altijd en zeker niet voor alles. Zo lang mogelijk thuis wonen en kunnen rekenen op hulp van je kinderen of buren om eens langs te komen of pakweg boodschappen te doen, is dus verre van een evident verhaal.

 

Dat beleidsidee is niet afgestemd met de realiteit?

Volckaert: Burenhulp is waardevol, maar in de realiteit blijft het beperkt tot vooral simpele dingen. Je hebt wel mensen die iets meebrengen van de winkel of andere kleine taken doen, maar je kan daar geen informele zorg op stutten. Vaak is er geen netwerk en je hebt evenmin de zekerheid dat het er zal blijven noch welke taken de mensen uit dat netwerk willen doen.

 

De overheid rekent er op dat mensen eerst op hun eigen netwerk kunnen rekenen. Maar als dat niet lukt, staat de professionele zorg dan niet klaar?

Volckaert: Zeker, maar er zijn ook grenzen aan. Het systeem laat perfect toe om pakweg acht verschillende zorg- en verpleegkundigen aan huis te laten komen. ‘s Ochtends iemand om je uit bed te helpen en te laten wassen, om dan een uur later een zorgkundige aan huis te laten komen die je boterhammen smeert. Er zijn gevallen waarbij men mensen ’s nachts in hun bed komt omdraaien. Dat is allemaal mogelijk, maar heeft een kostprijs. Sommige zaken worden grotendeels terugbetaald, maar uit onze interviews blijkt toch dat het, niet verwonderlijk, voor mensen met beperkte inkomens lastig blijft.

De redenering is dat formele zorg aanvullend is en verpleging ‘gespecialiseerd’.  Je kan hen niet bellen omdat  je geen melk in huis hebt. Daarenboven moet je thuis ook een zorgsetting organiseren. Mensen voor elkaar laten zorgen, klinkt toch romantischer dan het in werkelijkheid is.

 

Willen mensen niet graag zo lang mogelijk thuis blijven wonen?

Volckaert: Het is voor armere huurders ook gewoon niet evident om te verhuizen. Vaak zijn de private huurders al blij dat ze iets hebben dat ze kunnen betalen. Ze vrezen ook dat ze als toekomstige huurder niet populair zijn omdat verhuurders hen niet willen vanwege hun inkomen en omwille van hun leeftijd. We moeten er wel op wijzen dat dit niet bewezen is. Het is uiteraard een onderzoek waard.

 

Wat is een goede plek om ouder te worden?

Volckaert: Dan moet je naar de combinatie van aangepaste woning en aangepaste woonomgeving kijken. Je zou bijvoorbeeld veronderstellen dat een plek in het centrum van een stad ideaal is omdat je daar alle functies op wandel- of fietsafstand hebt. Maar we hebben daar mensen aangesproken en ze ervaren dat het leven er ook veel duurder is. Iemand die arm is kan het zich gewoon niet veroorloven om bij de dure buurtwinkel inkopen te doen. Woon je, in het geval van Gent waar de interviews plaatsvonden, iets dichter bij de stadsrand, dan zijn de grotere supermarkten wel bereikbaar. Al is dat nog steeds geen evidentie voor wie slecht te been is.

 

Zijn onze woonomgevingen voorzien op mensen met een beperkte mobiliteit?

Volckaert: Er zijn al masterproeven geschreven over de talrijke obstakels op en langs de weg. Drempels, stenen die schots en scheef liggen, brede straten met druk verkeer noem maar op. Veel oudere mensen halen ook de afhelling van voetpaden aan als een probleem. Al blijft het opvallend hoe weinig dat spontaan ter sprake komt. Het is iets waar velen mee hebben leren leven. Voor mensen die geen hulpmiddelen nodig hebben, lukt het meestal nog wel. Maar zodra mensen een rollator nodig hebben, komen de grote problemen. Onze straten en publieke ruimten zijn daar niet op ingericht.

 

Zijn de woningen zelf voldoende aangepast?

Volckaert: Dat is zeker niet het geval. Eén van de meest frappante dingen zijn trappen. In eengezinswoningen zien we vaak een trap in huis. Oudere mensen die niet meer naar boven kunnen, slapen dan beneden.

Waar er in eengezinswoningen vaker trappen zijn in de woning zelf, moeten mensen in appartementsgebouwen vaker trappen nemen om het appartement te kunnen betreden of aan de lift te geraken. Dat kunnen er soms 10 zijn. Dat lijkt banaal en veel mensen geven aan dat dat op het gemak wel lukt, maar met een rekje met boodschappen of met een rollator lukt dat natuurlijk niet.

Liften zijn handig, maar niet als ze defect zijn. Wat volgens onze respondenten toch vaak voorkomt. Met als gevolg dat ze aan hun appartement gekluisterd zijn. Die mensen zitten dan gevangen in hun appartement. Een probleem met de liften is bovendien dat ze vaak zo geplaatst zijn dat iemand met een rollator of rolstoel er gewoon niet in kan.

Arme huurders wonen doorgaans ook erg klein. Het is dan allesbehalve evident om je te kunnen verplaatsen in de ruimte. Daarom worden hulpmiddelen binnenshuis zeer weinig gebruikt. Soms is ook de ruimte niet optimaal ingedeeld. Dan staat er een gigantische eettafel in het appartement van een alleenstaande die deze enkel gebruikt om te eten en kruiswoordraadsels te maken. De beperkte ruimte belet soms ook om familie of vrienden te ontvangen. Mensen zijn soms zo klein gehuisvest dat je er amper nog twee stoelen kan bijzetten. Een ander gezin uitnodigen gaat dan gewoon niet. Heel wat ouderen benadrukten dat hun kleine woning een bron van eenzaamheid is omdat ze niemand kunnen of willen ontvangen.

 

Is er dan wel voldoende ruimte om de zorg te organiseren?

Volckaert: De respondenten spreken vaak over onpraktische badkamers. Ik sprak sociale en private huurders met kleine badkamers met een ligbad. De oudere bewoners kunnen daar niet meer in, dus dat bad wordt niet meer gebruikt. Zij worden dan gewassen door de thuisverpleegkundigen op een stoel.

Sociale huurders kunnen dan wel ‘in theorie’ te groot wonen omdat ze als alleenstaande twee of drie slaapkamers hebben, maar in werkelijkheid  hebben ze een badkamer die ze niet meer kunnen gebruiken en hebben dus een andere plek nodig om gewassen te worden en de nodige zorg te krijgen. Dat toont het belang van een meer individuele benadering. Als de overheid verlangt dat mensen thuis verzorgd worden, hebben ze daar ook de plaats voor nodig.

 

Als er grotere ingrepen nodig zijn, zijn huurders afhankelijk van hun verhuurder.

Volckaert: De badkamer is daar opnieuw een goed voorbeeld van. Heel veel mensen hebben een ligbad en kunnen niet over die badrand stappen. Wanneer ze aan de verhuurder vragen om het bad door een douche te vervangen, zien die dat niet zitten. In een sociaal wooncomplex voor senioren heb ik ook een aantal mensen gesproken die eerst een bad hadden, maar waar de sociale verhuurder dit liet vervangen door een douche. Alleen waren dat douches met een hoge opstap die daarenboven nog eens spekglad is. Van de regen in de drop met andere woorden. Het was een grote frustratie voor deze mensen.

Het is niet nieuw, maar we stellen opnieuw vast dat de relatie tussen de huurders en verhuurders niet optimaal is. Zowel sociale als private huurders geven aan dat het weken of maanden kan duren voor iets hersteld wordt. Als de hersteldienst van de sociale huisvestingsmaatschappij aangesproken wordt, dan kost het volgens de huurders ook snel veel geld. Daarnaast heb je de discussie over wie de kost moet dragen.

 

Thuis wonen en daar de zorg organiseren blijkt niet altijd de beste oplossing. Zijn residentiële voorzieningen dan het antwoord?

Volckaert: De residentiële zorg zoals die nu bestaat, is voor zeer veel mensen ontoereikend, onbetaalbaar en gewoon niet gewenst. Onder residentiële ouderenzorg mag je in de praktijk woonzorgcentra of assistentiewoningen verstaan. Er wordt wel eens over alternatieve vormen gesproken, maar er zijn er nog niet veel en die zijn evenmin gekend.

Ook dat is een huizenhoog cliché en de Covid19-ervaring zal daar geen afbreuk aan doen, maar onze respondenten vinden woonzorgcentra geen optie. Om het met een boektitel te stellen, het zijn “de wachtkamers van de dood”. Van alle mensen die ik heb gesproken, zijn er maar enkelen die er zouden willen wonen. Bij sommigen spookt het beeld van het oude rusthuis door het hoofd. Maar ook de aanwezigheid van mensen met een hoge zorggraad, wat te maken heeft met het financieringssysteem, schrikt af. Omdat de woonzorgcentra er een hogere tegemoetkoming voor krijgen, resideren er vooral mensen met zware zorgnoden en lijken veel woonzorgcentra eerder op ziekenhuizen dan op woonleefgemeenschappen. Daaruit volgt het beeld van woonzorgcentra als sterfhuizen. De coronacrisis versterkt dit beeld nog.

Assistentiewoningen zijn aangepaste appartementen maar daar zijn onze respondenten zeer kort over: ze mogen dan wel aangepast zijn, ze zijn zeer duur, te duur. Dat is dus niet echt een haalbare optie voor armere ouderen.

 

Wat kan dan wel gebeuren?

Volckaert: Wat al heel veel steek zou houden, is dat appartementen die nu gebouwd worden, gewoon aangepast zijn. Zolang die ook betaalbaar zijn natuurlijk. Dat hoeven geen assistentiewoningen te zijn zoals we ze vandaag kennen, maar het is wel verstandig om die appartementen te groeperen. Om niet, zoals nu het geval is, de zorgverleners steeds van het ene naar het andere huis te laten rijden. Je kan de zorg zo veel beter en efficiënter te organiseren.

Ook in groep wonen is een optie, al komt dat nog altijd weinig voor. Bij de oudere huurders in de stad was daar behoorlijk wat animo voor. Maar het is gevaarlijk om dit model zomaar naar voor te schuiven als de oplossing. Het is niet omdat je zorg nodig hebt, dat je per se in groep moet gaan wonen.

 

Nieuw boek: ‘Oud, arm en huurder’ kost €29 en wordt uitgegeven door Gompel&Svacina. Je kan het hier bestellen.

Eerder verscheen bij uitgeverij Garant van dezelfde auteurs: ‘Ouder worden op het Vlaamse platteland. Over zorg, wonen en ruimtelijk ordenen in dun bevolkte gebieden.

Het protocol met coronamaatregelen voor de Vlaamse huurmarkt ging op 12 november 2020 over op code rood. Dat betekent dat extra maatregelen in werking zouden treden. Nu blijkt er echter een juridisch probleem op te duiken, waardoor een aantal van die maatregelen niet van kracht kunnen worden.

 

Verlenging buitengewone omstandigheden

Dat is in het bijzonder een probleem voor mensen die met een opzegging van hun private huurwoning (hoofdverblijfplaats van de huurder) te kampen hebben op het einde van de maand. Wanneer kleurencode rood werd afgekondigd, zou de ‘verlenging wegens buitengewone omstandigheden’ versoepeld worden. Dat zou betekenen dat huurders ook in de laatste maand van de huur nog een verlenging kunnen aanvragen en dat dit niet aangetekend moet gebeuren, maar ook gewoon schriftelijk of via email liefst met ontvangstmelding kan.

Ook al zijn we van mening dat een wettelijke verlenging nog steeds de meest omvattende en juridisch ook sluitende oplossing is, is de voorziene versoepeling belangrijk aangezien mensen in de miserie raken als ze binnenkort (soms al op 30/11) hun huurwoning zouden moeten verlaten. We wensen huurders die zeer ongerust zijn toch enigszins gerust te stellen dat een verhuurder niet zomaar een huurder uit z’n woning kan zetten want dat hij hiervoor een uitvoerbaar vonnis van de vrederechter nodig heeft. En dat onder de huidige omstandigheden vrederechters welwillend zullen zijn om een gematigd uitstel te verlenen met toepassing van artikel 1244 Burgerlijk wetboek (termijn van respijt).

 

Nooddecreet

We besparen u de juridische details, maar doordat er geen nooddecreet werd afgekondigd voor de woonmarkt kan deze bepaling (versoepelde aanvraag voor verlenging wegens buitengewone omstandigheden) niet rechtsgeldig in werking treden. Naast dit meest dringende en in het oog springende probleem, kunnen ook maatregelen omtrent studentenhuur en de opschorting van welbepaalde termijnen in verband met het conformiteitsattest en het beroep bij de minister tegen een beslissing van de burgemeester inzake woningkwaliteit (ongeschikt- of onbewoonbaarverklaring) niet ingaan. De versoepelde termijnbepalingen inzake sociale huur, huursubsidie, huurpremie , woningonderzoekingen, lening voor huurwaarborg en Fonds ter voorkoming van uithuiszettingen treden wel in werking sinds 12 november 2020.

 

Oplossing

We hebben dit probleem gesignaleerd aan het kabinet van bevoegd Vlaams minister Matthias Diependaele en aan de leden van de commissie wonen van het Vlaams parlement. We hopen op een zo spoedig mogelijke, juridisch sluitende oplossing. We zijn nu halverwege november en huurders die eind deze maand hun huurwoning zouden moeten verlaten zitten met de handen in het haar.

Op 3 november 2020 ging het protocol in dat de coronamaatregelen op de Vlaamse woonmarkt moet stroomlijnen. Daarvoor wordt met kleurencodes gewerkt. Aan elke kleur worden maatregelen gekoppeld. De mogelijke codes zijn groen, geel, oranje en rood. Op dit moment wordt code oranje uitgevaardigd. Code rood wordt voorbereid.

 

Kleurencodes

Ook op de huurmarkt zijn tal van personen betrokken die de verspreiding van het coronavirus in de hand kunnen werken. Huurders, verhuurders, makelaars, ondersteunende diensten, … noem maar op.

De Vlaamse Regering, en meer bepaald de minister van Wonen Matthias Diependaele, werkte daarom nu een protocol uit met kleurencodes. Er zijn vier kleuren: groen, geel, oranje en rood. Aan elke kleurencode worden maatregelen gekoppeld. Het volledige protocol kunt u hier terugvinden.

Het is de minister van Wonen zelf die bepaalt welke kleurencode van toepassing is. Momenteel is dit code oranje, maar code rood wordt voorbereid.

We willen er, voor alle duidelijkheid, op wijzen dat die kleurencode kan verschillen van andere beleidsdomeinen. Het zou perfect kunnen dat de kleurencode voor ons onderwijs dus anders is dan die voor de woonmarkt. Ook is het mogelijk dat de minister bepaalde regio’s of streken in Vlaanderen afbakent met een verschillende kleurencode.

Los van de kleurencode moeten er altijd algemene voorzorgsmaatregelen genomen worden. Bij elke interactie op de woonmarkt moet u voldoende afstand houden en voldoende de handen reinigen. Indien de afstand niet bewaard kan worden moet u zeker een mondmasker dragen. Alles wat buiten kan doorgaan, moet ook buiten doorgaan. Bij een bezoek aan de woning zorg je voor een goede verluchting, zowel voor, tijdens als na het bezoek. We kunnen niet genoeg benadrukken dat deze voorzorgsmaatregelen van het grootste belang zijn in de strijd tegen de verspreiding van het virus.

 

Woningbezichtigingen

Het protocol gaat er van uit, zelfs in code rood, dat woningbezichtigingen altijd mogelijk moeten blijven. Doordat federaal een tweede lockdown werd afgevaardigd, blijken woningbezichtigingen nu echter toch verboden. Het Vlaamse protocol is hier eigenaardig genoeg niet op voorzien. Dat betekent ook dat het protocol, zelfs in code rood, onvoldoende is aangepast aan de huidige realiteit.

 

Code rood

Terwijl we nu dus nog in code oranje zitten, wordt code rood voorbereid. Daarin worden een aantal maatregelen genomen, zoals een versoepeling van de ‘wettelijke verlenging van huurcontracten omwille van buitengewone omstandigheden’. Ook zullen enkel nog dringende herstellingen uitgevoerd mogen worden. Dit zijn herstellingen die nodig zijn op risico van toenemende schade aan de woning. Bij heel wat aanvragen, bijvoorbeeld voor een huursubsidie en huurpremie, zullen de termijnen verlengd worden wanneer we in code rood terechtkomen.

 

Geen verbod op uithuiszettingen

Er is in het protocol geen sprake van een ruimere huurtoelage voor mensen met betaalbaarheidsproblemen, geen versnelde nieuwe sociale huurprijsberekening bij een daling van het inkomen, geen wettelijke verlenging van huurcontracten en er is geen opschorting van uithuiszettingen voorzien zoals tijdens de eerste golf. In Brussel werd op 3 november wel reeds beslist om uithuiszettingen te stoppen tot minstens halverwege december.

Studenten die op een bepaald moment een vaste verblijfplaats zouden moeten kiezen en niet op hun kot aanwezig zijn, zullen wel hun kosten (voor water, gas en elektriciteit) kunnen terugvorderen van de verhuurder wanneer ze hem hiervan in kennis hebben gesteld.

Wie als huurder een betaalachterstand heeft van minstens 2 maanden huur (kosten inbegrepen) kan wel beroep blijven doen op het OCMW. Zij kunnen je helpen om een ontbinding van de huurovereenkomst en uithuiszetting te voorkomen door een snelle tussenkomst van het ‘fonds ter bestrijding van uithuiszettingen’ te bekomen. Zo kan meteen tot de helft van de huurachterstal afbetaald worden.

 

Coronahuurvragen

Op de pagina van onze coronahuurvragen kunt u steeds heldere antwoorden terugvinden op de meest gestelde vragen.

Na de laatste staatshervorming werd ook het huurrecht Vlaamse materie. Sinds 2019 is het Vlaams woninghuurdecreet van kracht. Let wel, oudere contracten vallen nog steeds onder de bepalingen van de federale woninghuurwet. Woninghuurwet en woninghuurdecreet zullen dus nog een poos naast elkaar blijven bestaan. In dit boek wordt daarom zowel het gemeen huurrecht, de woninghuurwet als het woninghuurdecreet besproken, maar zoomen we ook in op de woningkwaliteitsbewaking en procesvoering.

De Vlaamse huurdersbonden hebben de traditie om via ‘Het huurboek’ de huurregelgeving op een toegankelijke wijze toe te lichten. In deze nieuwe editie werden alle veranderingen en aanpassingen tot 1 juli 2020 geïntegreerd. Ook de reeds besliste regelgeving over de woningkwaliteit die pas uitvoering krijgt in 2021 wordt besproken. Op deze manier beschikt de lezer over een totaalpakket van de juridische aspecten van het huren (en verhuren). Telkens wordt in een bevattelijke taal uitgelegd wat de huurder kan doen wanneer hij met een probleem wordt geconfronteerd. Het is een boek zowel voor de huurders als voor wie professioneel te maken krijgt met huurproblemen. Het boek is gegroeid uit de dagelijkse praktijk van de huurdersbonden en wordt gekruid met handige tips, in het oog springende voorbeelden en handige modelbrieven.

U kunt dit boek vanaf nu kopen in de boekhandel of online voor €34,95, maar pols zeker naar het verminderd tarief bij uw huurdersbond!